Tot voor kort werden Belgische belastingplichtigen die in het buitenland geïnde (en aldaar al dan niet reeds aan de buitenlandse bronheffing onderworpen) roerende inkomsten uit aandelen, interesten, … genoten aan een zwaardere belastingdruk onderworpen, tenzij men in een gemeente woont waar geen gemeentebelasting verschuldigd is. Dit in tegenstelling tot wanneer zij dergelijke inkomsten zouden innen mits tussenkomst van een Belgische financiële tussenpersoon/instelling.
Immers, deze “netto” roerende inkomsten dienden “verplicht” in de aangifte in de personenbelasting te worden aangegeven en worden alhier aan het “afzonderlijke tarief” van 10%, 15%, 21% of 25% (tenzij globalisatie voordeliger is) onderworpen EN vervolgens vermeerderd met de gemeentelijke opcentiemen. Dit stond evenwel in schril contrast met de belastbaarheid van de in België geïnde roerende inkomsten die steeds van het stelsel van de “bevrijdende” roerende voorheffing konden genieten doordat de roerende voorheffing reeds aan de bron werd ingehouden en de aanvullende gemeentebelasting op deze wijze wordt vermeden (geen verplichte opname in het aangifteformulier in de personenbelasting).
Midden 2010 werd België dan ook door het Europese Hof van Justitie op de vingers getikt daar zij oordeelde dat het “verschil” in fiscale behandeling - meer bepaald de onderworpenheid van de in het buitenland geïnde dividenden, interesten, … aan de Belgische aanvullende gemeentebelasting - wel degelijk in strijd is met het vrije verkeer van kapitaal (EG-verdrag). Datzelfde jaar heeft de Belgische wetgever nog gevolg gegeven aan de uitspraak van het Europese Hof van Justitie. Voortaan weert zij in het buitenland geïnde dividenden en interesten, die voortvloeien uit in andere EER lidstaten gedane beleggingen of investeringen (mochten zij in België zijn verkregen van de aangifteverplichting zouden zijn vrijgesteld), uit de berekeningsgrondslag van de aanvullende gemeentebelasting.
Het feit dat “alle” dividenden en interesten geïnd in een lidstaat van buiten de EER worden uitgesloten, blijkt nu niet zo zeer naar de zin van de Europese Commissie te zijn. De Europese Commissie is namelijk de mening toegedaan dat – vanuit het oogpunt van het vrije verkeer van kapitaal - inkomsten uit loutere beleggingsdividenden (zogenaamde portfoliodividenden) en interesten (niet geïnd mits tussenkomst van een Belgische financiële tussenpersoon) ook niet aan deze hogere belastingdruk mogen onderworpen worden.
De Europese Commissie heeft de Administratie derhalve inmiddels verzocht haar benadering of interpretatie van het nieuwe Arrest te wijzigen. Of de Belgische wetgever aan dit verzoek gevolg zal geven, blijft evenwel nog de vraag. Voorlopig blijven de niet in de EER genoten dividenden, interesten, … alsnog onderworpen aan de gemeentelijke opcentiemen.













